6 min lezen
Regionaal programma VSV aanvragen in 2026: stappenplan voor de contactschool
Onder de Wet van school naar duurzaam werk, die op 1 januari 2026 in werking is getreden, vraagt per regio één contactschool subsidie aan voor het regionaal programma. Dat klinkt administratief, maar wat er onder ligt is een complexe afstemming tussen scholen, gemeenten en doorstroompunten over wat de regio gaat doen om voortijdig schoolverlaten te verminderen, wie wat doet, en hoe het budget van enkele honderdduizenden tot enkele miljoenen euro's per regio wordt verdeeld.
Dit artikel beschrijft het werkbare stappenplan dat we, uit gesprekken met contactscholen en RMC-coördinatoren, als praktisch het sterkst zien.
Stap 0: vaststellen wie de contactschool is
Voor de meeste regio's was dit al vóór 2026 helder, want de RMC-structuur kende dit principe al. Maar het kan voorkomen dat er onduidelijkheid is, of dat de rol wisselt. De contactschool is doorgaans de grootste mbo-instelling van de regio of een sterk vertegenwoordigde vo-school met bovenregionaal gewicht.
Wat de contactschool moet hebben: bestuurlijke capaciteit om de regie te voeren, administratieve capaciteit om de subsidie te beheren, en draagvlak in de regio om namens alle partners te kunnen handelen.
Stap 1: regionale governance helder krijgen
Voordat je aan de inhoud begint, moet de governance staan. Drie elementen:
Stuurgroep regionaal programma. Bestuurders van de aangesloten mbo-instellingen, vertegenwoordigers van de samenwerkingsverbanden vo, wethouders van de RMC-gemeenten, en eventueel vertegenwoordigers van regionale werkgeversorganisaties of jeugdhulp. Deze stuurgroep beslist over inhoud, budget en koers.
Werkgroep operationeel. RMC-coördinatoren, beleidsmedewerkers van gemeenten, kwaliteits- of zorgmedewerkers van scholen, vertegenwoordiger van doorstroompunten. Werkt de inhoudelijke voorstellen uit voor de stuurgroep.
Programmamanager. Eén persoon die het programma operationeel aanstuurt. Vaak gepositioneerd bij de contactschool, soms bij de gemeente.
Stap 2: nulmeting van de regio
Voordat je doelen stelt, moet je weten waar je staat. Zes datapunten:
- Aantal nieuwe VSV'ers in de regio over de afgelopen drie jaar (DUO-data, uitgesplitst naar mbo/vo en niveau)
- Top-3 risico-opleidingen in de regio (waar valt het meeste uit)
- Bestaande curatieve aanpak: hoeveel jongeren begeleid via RMC, met welk resultaat
- Welbevinden- en sociale veiligheidscijfers van aangesloten scholen (waar beschikbaar)
- Demografische en sociaal-economische context van de regio (CBS-data per gemeente)
- Werkgelegenheidssituatie voor jongeren zonder startkwalificatie in de regio
Deze nulmeting is geen bureaucratische exercitie. Hij bepaalt waar je investering het hoogste rendement levert.
Stap 3: doelen formuleren voor 2026-2029
Het regionaal programma is meerjarig. De wet vraagt om expliciete doelen voor de periode 2026-2029. Werkbare doelen hebben drie kenmerken:
- Kwantitatief: aantal nieuwe VSV'ers per jaar, terugkeer-percentage uitvallers, percentage jongeren in vervolgonderwijs of werk
- Differentiërend: aparte doelen voor mbo-uitval, vo-uitval, en jongeren in kwetsbare positie (vso, PRO, ISK, entree)
- Realistisch maar ambitieus: een doel van "20% reductie nieuwe VSV'ers in 4 jaar" is bijvoorbeeld haalbaar als curatieve en preventieve interventie samengaan; "geen enkele uitval" is symbolisch en daarmee betekenisloos
Stap 4: budgetverdeling tussen curatief en preventief
Dit is de moeilijkste discussie in de stuurgroep. Vier hoofdcategorieën van inzet:
Curatieve uitvoering: RMC-casemanagement, doorstroomcoaches, outreachende aanpak (Utrechtse Focusaanpak-stijl): meestal het grootste deel van het budget, want hier zit de directe arbeidsinzet.
Preventieve interventies in scholen: SEL-curricula, welbevinden-monitoring, mentorlessen-ondersteuning, schoolmaatschappelijk werk-versterking, M@zl-aanpak. Hier ligt de grootste impact voor het voorkomen van uitval die nu nog ontstaat.
Overgangs-versterking vo-mbo: warme overdracht, gezamenlijke welbevinden-data, doorlopende SEL-leerlijn. Specifiek voor het risicomoment overstap.
Programmamanagement en monitoring: programma-aansturing, evaluatie, rapportage. Meestal 5 tot 10% van het budget.
Een gezond regionaal programma reserveert minstens 25 tot 35% voor preventieve interventies. Lager dan dat, en je investeert blijvend in dweilen met de kraan open. Hoger dan 50% wordt risicovol als je curatieve infrastructuur (RMC-casemanagement) ondergefinancierd raakt.
Stap 5: meetbare interventies kiezen
Voor de preventieve component is meetbaarheid essentieel. Inspectie, gemeenteraden en partners willen weten of de €94 miljoen-pot werkelijk werkt. Vier eisen aan elke preventieve interventie in het programma:
- Heldere theory of change: hoe gaat deze interventie uitval verminderen?
- Operationele uitvoerbaarheid: kunnen scholen dit zonder extra trainingen of structuur erbij?
- Meetbaar effect: welke indicatoren ga je meten en hoe vaak?
- Schaalbaarheid: kan dit werken op meer scholen of moet het maatwerk zijn?
Plug-and-play SEL met geaggregeerde welbevinden-monitoring voldoet aan alle vier. Het is operationeel uitvoerbaar voor scholen zonder pedagogische SEL-opleiding, het levert klas- en schoolniveau data, en het schaalt over instellingen heen.
Achtergrond: Het Spiderweb-framework: hoe meet je SEL effect
Stap 6: aanvraagdossier opstellen
Wat in het aanvraagdossier hoort:
- Nulmeting (stap 2)
- Doelen 2026-2029 (stap 3)
- Concrete interventies, ingedeeld naar curatief / preventief / overgang / programmamanagement (stappen 4 en 5)
- Begroting per interventie en per jaar
- Governance-structuur (stap 1)
- Monitoring- en evaluatieplan
- Ondertekening door alle deelnemende partners
De exacte vorm en deadline volgen de instructies van OCW per aanvraagronde. De inhoudelijke aanpak hierboven is robuust voor elke vormgeving.
Stap 7: parallel inrichten van uitvoering
Een aanvraag indienen is niet hetzelfde als kunnen starten. Tegelijk met het aanvraagdossier moet je de operationele uitvoering inrichten:
- Contracten of inkoop-trajecten met onderwijspartners voor preventieve interventies
- Data-uitwisselingsafspraken (privacy-by-design) tussen scholen en gemeente
- Caseload-uitbreiding bij RMC voor de doelgroep 23-27 jaar
- Communicatie naar studenten en ouders over de gewijzigde aanpak
Veelgestelde vragen
Hoeveel tijd kost het opstellen van een regionaal programma?
Een eerste programma-aanvraag kost realistisch drie tot zes maanden voorbereiding voor een gemiddelde RMC-regio, gerekend vanaf het moment dat de governance staat. Regio's met goed werkende RMC-structuren kunnen sneller; regio's met versnipperde governance hebben meer tijd nodig.
Kan een gemeente nee zeggen tegen het regionaal programma?
Theoretisch ja, in praktijk nee. Een gemeente die zich onttrekt aan het regionaal programma raakt de aanspraak op de regionale subsidie kwijt en heeft alsnog de wettelijke RMC-verplichting. In de stuurgroep wordt daarom doorgaans naar consensus gewerkt.
Hoe verhoudt het regionaal programma zich tot bestaande convenanten?
De wet vervangt de bestaande convenantstructuur uit 2012. Bestaande inhoudelijke samenwerkingsafspraken worden zoveel mogelijk meegenomen in het nieuwe programma.
Wat als een mbo-instelling vestigingen in meerdere regio's heeft?
Dan neemt de mbo-instelling deel aan meerdere regionale programma's, met afspraken over welke vestigingen onder welk programma vallen. In de praktijk loopt dit via de hoofdvestiging-regio.
Mag een populatiecontract met een onderwijspartner onderdeel zijn van het regionaal programma?
Ja, mits het past binnen de doelstelling van het programma en meetbare resultaten oplevert. Een populatiecontract op preventieve SEL-interventies is een werkbare contractvorm hiervoor.
De volgende stap
Voor contactscholen die het regionaal programma 2026 opstellen, is het waardevol om preventieve interventies expliciet in te bouwen. Lees hoe een gemeente preventief VSV-beleid inricht of plan een gesprek over hoe plug-and-play SEL met welbevinden-monitoring in jullie regionaal programma kan passen.